Inschrijven op onze nieuwsbrief Voor een beknopte en heldere toelichting bij de recentste ontwikkelingen in wetgeving en rechtspraak: vertrouw ons uw e-mailadres toe.

Rechtspraak zet deur op een (kleine) kier voor sms als bewijsmiddel in burgerlijke zaken

 Rechtspraak zet deur op een (kleine) kier voor sms als bewijsmiddel in burgerlijke zaken

 

Justitie en “moderne” technologieën: het blijft een moeilijk, misschien zelfs onmogelijk huwelijk.

Dat het op heden anno 2015 nog steeds niet mogelijk is voor advocaten om in gerechtelijke procedures conclusies op een elektronische wijze aan de rechtbank over te maken, is er slechts één bewijs van.

 

Toch werd in twee recente arresten van Hoven van Beroep de deur op een (kleine) kier gezet om een sms te gebruiken als bewijsmiddel in burgerlijke zaken.

 

Alhoewel in beide arresten een verschillende interpretatie van het begrip “geschrift” wordt gehanteerd, kan uit deze arresten worden afgeleid dat een sms als een begin van bewijs door geschrift in de zin van art. 1347 Burgerlijk Wetboek kan worden beschouwd indien er absolute zekerheid bestaat dat het sms-bericht werd verstuurd door diegene tegen wie het bericht wordt gebruikt. Deze absolute zekerheid zal evenwel enkel bestaan indien diegene tegen wie de sms wordt ingeroepen niet betwist dat hij of zij het sms-bericht effectief heeft verstuurd. Van zodra diegene tegen wie het sms-bericht wordt gebruikt, betwist dat hij of zij effectief het bericht heeft verstuurd, kan een sms niet langer worden gebruikt als begin van bewijs door geschrift.

Vandaar: een kleine en misschien zelfs zeer kleine kier maar niettemin een kier.

 

In beide arresten moest de eisende partij het bestaan van een overeenkomst, respectievelijk een leningsovereenkomst en een koop-verkoopovereenkomst m.b.t. een onroerend goed, bewijzen aan de hand van de bewijsregels van het burgerlijk bewijsrecht. Overeenkomstig art. 1341 Burgerlijk Wetboek kan een overeenkomst, van zodra ze een waarde van 375,00 EUR overtreft, enkel bewezen worden door een geschrift, hetzij een authentiek geschrift (zoals bijv. een notariële akte) hetzij een onderhandse overeenkomst (zoals bijv. een schriftelijke overeenkomst tussen partijen).

 

Bovendien moet die onderhandse akte voldoen aan verschillende vormvoorschriften naargelang de akte een eenzijdige dan wel een wederkerige overeenkomst betreft. Voor eenzijdige overeenkomsten zoals bijv. een leningsovereenkomst bepaalt art. 1326 Burgerlijk Wetboek dat de overeenkomstig volledig met de hand moet zijn geschreven of minstens, naast de handtekening, ook een met de hand geschreven “goed voor” of “goedgekeurd voor” moet bevatten waarbij de som voluit in letters is uitgedrukt. Voor wederkerige overeenkomsten zoals bijv. de koop-verkoopovereenkomst m.b.t. een onroerend goed voorziet art. 1325 Burgerlijk Wetboek dan weer dat een dergelijke overeenkomst moet worden opgesteld in evenveel originelen als er partijen zijn met een onderscheiden belang.

 

Evenwel zijn er ook uitzonderingen op voormelde regel van het bewijs door geschrift. Zo bepaalt art. 1347 Burgerlijk Wetboek dat wanneer een begin van bewijs door geschrift voorligt er wel een aanvullend bewijs toegelaten is, zelfs door middel van getuigen en vermoedens, ook als de betrokken overeenkomst de som of de waarde van 375,00 EUR te boven gaat.

 

 

 

In beide gevallen beschikte de eisende partij over sms-berichten van de verwerende partij die mogelijk het bestaan van de overeenkomst konden bewijzen. Telkens was de hamvraag: kunnen deze sms-berichten worden beschouwd als een begin van bewijs door geschrift in de zin van art. 1347 Burgerlijk Wetboek ?

 

Alhoewel in beide arresten uiteindelijk de vordering van de eisende partij werd afgewezen als ongegrond, was het standpunt van de Hoven van Beroep m.b.t. de bewijswaarde van voormelde sms-berichten totaal verschillend.

 

In haar arrest van 29 april 2013 hield het Hof van Beroep te Antwerpen er een zeer strikte interpretatie van het begrip “geschrift op na en kwam tot de conclusie dat sms-berichten niet kunnen worden beschouwd als een begin van bewijs door geschrift omdat niet met absolute zekerheid kan worden bewezen dat het sms-bericht ook effectief was verstuurd door de verwerende partij. Het Hof voegde er veel betekenend aan toe dat iedereen met om het even welke gsm om het even welk bericht kan versturen naar om het even wie. Het Hof van Beroep te Gent daarentegen volgde in haar arrest van 26 september 2013 een veel modernere interpretatie van het begrip “geschriftin die zin dat een geschrift niet noodzakelijk een papieren neerslag vereist en kwam dan ook tot de conclusie dat het sms-bericht van de verwerende partij in casu wel kon worden beschouwd als een begin van bewijs door geschrift omdat de verwerende partij niet betwiste dat zij het sms-bericht ook effectief had verstuurd. Het Hof van Beroep te Gent wees er evenwel op dat een sms-bericht op zich nooit kan volstaan als bewijs doch dat het verder moet worden aangevuld met getuigenissen of vermoedens. Het ontbreken van deze aanvullende bewijzen was meteen ook de reden waarom uiteindelijk ook het Hof van Beroep te Gent de vordering van de eisende partij afwees.

 

Uit deze twee arresten blijkt dat de Belgische Hoven en Rechtbanken terecht bijzonder waakzaam blijven voor de identiteit tussen de titularis van een gsm-nummer en diegene die het sms-bericht heeft verstuurd. Het is pas als de Hoven en Rechtbanken absolute zekerheid hebben dat de eigenaar van een gsm-nummer ook effectief het sms-bericht heeft verstuurd, en die absolute zekerheid bestaat pas als de verwerende partij erkent of minstens niet betwist dat hij of zij het sms-bericht effectief heeft verstuurd, dat zij het sms-bericht zullen aanvaarden als een begin van bewijs door geschrift, dat dan evenwel absoluut nog verder moet worden aangevuld met bijkomende bewijzen onder de vorm van getuigenissen of vermoedens.

 

Het is duidelijk dat de Hoven en Rechtbanken op een slappe koord balanceren tussen enerzijds een moderne aanpak en anderzijds de absolute zekerheid waarmee een bewijs in rechte moet gepaard gaan. Wellicht is het evenwel niet meer te vermijden dat weldra de deur volledig open wordt gezet voor moderne en voldoende betrouwbare bewijsmiddelen.

 

Tenslotte moet er volledigheidshalve nog op gewezen worden dat beide voormelde arresten werden uitgesproken in het kader van burgerlijke geschillen waarop het strengere burgerlijk bewijsrecht van toepassing is. Mogelijks had de uitspraak er in een louter handelsrechtelijk geschil, waarop het vrijere handelsrechtelijke bewijsrecht van toepassing is, er mogelijks nu reeds anders uitgezien.

 

Nicolas Vanlerberghe

site by tales.be